Ik en de ander
'Niemand is helemaal thuis bij zichzelf' - een zin van de joodse wijsgeer Emmanuel Levinas, neergeschreven in zijn essay 'Zonder identiteit' in de bundel Humanisme van de andere mens.
Levinas signaleert wat Lucebert (in zijn 'eindig stukje tekst' waarover ik mij met religieuze aandacht gebogen heb) gedicht heeft: dat het ik 'aan zichzelf ontsnapt en er niet in slaagt met zichzelf samen te vallen' Hij duidt dit als 'de crisis van de innerlijkheid', maar vraagt zich af of deze crisis ('de vreemde nederlaag of desertie van de identiteit') niet juist te kennen geeft, dat ik niet bestaan kan in en voor mezelf, maar alleen in betrekking tot 'de Andere Mens'.
Dat niemand helemaal thuis is bij zichzelf zou er volgens Levinas op kunnen wijzen dat wij 'wezenlijk' (als geschapen wezens, betekent dat bij hem) elkaar niet onverschillig laten. Hij verwijst naar het bijbelse verhaal over Israël in Egypte: 'De conditie van vreemdelingen en slaven in het land Egypte brengt de mens en zijn naaste samen.' De beleving van vervreemding, verscheurdheid en onderdrukking, van niet thuis zijn bij jezelf, brengt mensen tot elkaar.
Gedurende meer dan vijftig jaar heeft Levinas, in meer dan honderd publikaties, een wijsgerige visie ontvouwd waarvan niet het ik-bewustzijn ('ik denk dus ik ben') het uitgangspunt is, maar de confrontatie met 'de ander' naast en tegenover mij die, van aangezicht tot aangezicht, en niet weg te denken aanwezig, een beroep op mij doet.
Niet de verwerkelijking van het eigen ik staat in deze visie centraal maar (met de woorden van een van zijn Nederlandse vertalers en commentatoren Ad Peperzak) de toewijding aan de ander. Levinas spreekt zelfs over de menselijke uitverkiezing elkaar te dienen.
Tegen de stroom van de westerse filosofie ('van Parmenides tot en met Heidegger') en tegen tijdgeest en ik-tijdperk in, formuleert hij de grondstructuur van het menselijk bestaan als jij-en-ik. Een mens, een ik-voor-mij, wordt pas 'ikzelf' in relatie tot de ander of, scherper nog, vanuit de ander. In de verschijning van een ander mens, die binnenkomt in mijn tijd en ruimte, mij aanziet, vraagt, aanklampt, word ik verantwoordelijk; wordt mij mijn verantwoordelijkheid geopenbaard.
Ik, geboren egoïst, spontaan-vitaal mijzelf ontplooiend, van nature geprogrammeerd op zelfbehoud en belust, zo nodig gewelddadig, op de bevrediging van mijn behoeften, op eten, drinken, onderdak, warmte, bezit juist in die 'wezenlijke' behoefte een vermogen tot ontvankelijkheid voor de ander. Ik blijk ontvankelijk voor intimiteit, en daarin schuilt de kiem van mijn geweten en mijn verantwoordelijkheid: gehoor voor de stem, gezicht voor de ogen van de ander.
Gehoor en gezicht ook voor een ander die mijn behoefte niet vervult, meent Levinas; ook voor een ander mens die mij enkel maar 'vraagt', voor de vreemdeling die mij brood en kleding vraagt; voor de plotseling onverhoeds aanwezige naaste.
Ik, zo vrij en zelfbewust als ik ben, zo gecodeerd om mijn eigen goddelijke gang te gaan, houd mij in 'ten overstaan van de Andere Mens, wanneer ik hem werkelijk zonder bedrog of uitvluchten recht in zijn weerloze en van alle bescherming verstoken ogen kijk'. Zo omschrijft Levinas de werking van het geweten, het 'morele bewustzijn'.
In latere geschriften verdiept en radicaliseert hij deze visie, in steeds heftiger beeldspraak: ik word gedagvaard, deze dagvaarding 'gaat aan mijn vrijheid vooraf' (dat moet wel betekenen dat mijn verantwoordelijkheid even wezenlijk is als mijn geschapen zijn; Levinas spreekt over 'onbegrensde' verantwoordelijkheid). Ander beeld: ik word gegijzeld door de ander; je moet de mens denken vanuit de 'condition ou incondition' van de gegijzelde. Ofwel 'de mens moet gedacht worden vanuit de verantwoordelijkheid die ouder is dan de innerlijke identificatie'.
Die verantwoordelijkheid gaat zover dat ik de plaats van de ander moet innemen, mijzelf'beschuldigend' van het kwaad van de ander (ik zou er liefst 'als het ware' aan toevoegen, maar dat doet Levinas niet). 'Ik ben die ander' - dus wie aan hem of haar komt, komt aan mij? dat kan ik begrijpen. Levinas, onverbiddelijk, schrijft: 'Voor de ander lijden betekent, dat men met de zorg voor de ander belast is, hem verdraagt, zijn plaats inneemt en door hem verbruikt wordt.'
Waar slaat dit allemaal op? Zijn antwoord luidt: op 'de onwerkelijke werkelijkheid van mensen die in de alledaagse geschiedenis van de wereld vervolgd worden, aan wier waardigheid en zin de metafysiek nooit aandacht heeft besteed en waarvoor filosofen hun neus ophalen.'
In zijn inleiding op Humanisme van de andere mens benadrukt Ad Peperzak dat het Levinas er om te doen is binnen de wijsgerige traditie en op filosofische wijze 'in het licht te stellen wat iedere mens in het alledaagse contact met anderen overkomt'.
Ik word ik, ikzelf, in het overstijgen van mijn ik-zucht. Die overstijging wordt mij mogelijk gemaakt, gegeven, in de ontmoeting met de ander in wiens ogen ik de vraag lees 'laat mij leven, gij zult niet doden' In de aanvaarding van de ander wórd ik die ik 'geschapen' ben, mijzelf. Word ik onbegrensd verantwoordelijk.
Is dit moeilijk? Dit is moeilijke taal. Is dit te begrijpen? Ja. Is dit te doen? Zij die dit al doende begrepen hebben, vormen een ontelbare menigte in de alledaagse geschiedenis van de wereld.
Levinas, wiens mensbeeld overeenkomsten vertoond met dat van Marx, via beider verwantschap met de joodse bijbel, is een onmisbare maar wel tot het uiterste confronterende en doorvragende gespreksgenoot en leermeester voor wie zoekt naar een laatste ijkpunt van 'normen en waarden'.
In zijn verrassende boek, Schaamte en verandering heeft dr. Naud van der Ven het gedachtegoed van Levinas verwerkt in zijn analyse van management- en organisatieproblemen. Ik attendeer u graag op zijn website www.naudvanderven.nl.
Huub Oosterhuis